Druif

Cabernet Sauvignon

Cabernet Sauvignon is een blauwe druif die in de zeventiende eeuw in Bordeaux ontstond, en dat bij toeval: hij is de spontane kruising van Cabernet Franc met de witte Sauvignon blanc. Dat was lang een vermoeden; in 1996 bevestigde het team van Carole Meredith aan de University of California, Davis, het met DNA-onderzoek. Een rode en een witte ouder dus, wat minder uitzonderlijk is dan het klinkt: druivenkleur is genetisch een kwestie van enkele schakelaars.

Volgens de OIV-studie over de wereldwijde verspreiding van druivenrassen stond er in 2015 ongeveer 341.000 hectare Cabernet Sauvignon, goed voor zo'n vijf procent van alle wijngaarden ter wereld. Daarmee is hij de meest aangeplante wijndruif ter wereld. Hij groeit zowat overal: naast Bordeaux ook Napa, Coonawarra, Chili, Toscane en de Bekavallei in Libanon.

Aan de stok is hij herkenbaar aan wat hij niét doet: hij loopt laat uit en rijpt laat, ongeveer een tot twee weken na Merlot en Cabernet Franc. In koele of natte jaren wordt hij daardoor niet rijp. De bessen zijn klein en dikschillig, met ongeveer één pit per twaalf delen vruchtvlees — een ongewoon hoge verhouding, en de directe verklaring voor het stevige tannineskelet van de wijn.

In het glas geeft dat een diep gekleurde, tannische wijn met zwarte bessen, zwarte kers en pruim, en met de jaren cederhout en tabak. De groene, paprika-achtige toon die je bij onrijpe Cabernet proeft, komt van pyrazines: stoffen die de mens al bij enkele nanogrammen per liter opmerkt en die door zonlicht op de tros worden afgebroken. Hoe beter de tros is blootgesteld, hoe minder groen de wijn.

Wijnclub Zottegem proefde 22 wijnen van Cabernet Sauvignon uit acht landen, tussen 2004 en 2026. Die wijnen kwamen het vaakst uit Frankrijk.

Waar wij deze druif proefden

Wijnen die wij proefden