Druif

Verdejo

Verdejo is de witte druif van Rueda, op de hoogvlakte van Castilië en León tussen Valladolid, Segovia en Ávila. Hij zou rond de elfde eeuw naar de streek gekomen zijn, mogelijk met de Mozaraben, en is er sindsdien gebleven. De wijngaarden liggen tussen zeshonderd en achthonderd meter hoogte, in een landklimaat met winters rond het vriespunt, zomers rond de dertig graden en amper vierhonderd millimeter neerslag per jaar.

De druif is bijna verdwenen. De druifluis vaagde tussen 1890 en 1922 de wijngaarden weg, en bij de heraanplant verloor Verdejo terrein aan andere rassen — Palomino Fino staat vandaag nog altijd in de streek. Halfweg de twintigste eeuw hield één wijnboer, Ángel Rodríguez Vidal, de oude Verdejo in leven. De ommekeer kwam in 1972, toen Marqués de Riscal in de streek investeerde en samen met de Franse oenoloog Émile Peynaud een moderne witte wijnstijl uitwerkte. In 1980 kreeg Rueda zijn beschermde oorsprongsbenaming.

Die tweede geschiedenis verklaart waarom Rueda vandaag zo anders smaakt dan honderd jaar geleden. De streek maakte van oudsher geoxideerde, sherry-achtige wijn; de hedendaagse stijl is precies het tegendeel. Er wordt 's nachts geoogst om de druiven op tien à vijftien graden binnen te halen in plaats van op de achtentwintig à dertig graden van overdag, wat oxidatie en bruinkleuring tegengaat.

In het glas is Verdejo aromatisch, vaak zacht en vol van lijf. De regels van de benaming zijn gelaagd: een wijn met alleen "Rueda" op het etiket bevat minstens vijftig procent van de hoofdrassen, "Rueda Verdejo" minstens vijfentachtig procent Verdejo.

Wijnclub Zottegem proefde zeven wijnen van Verdejo uit twee landen, tussen 2021 en 2022. Die wijnen kwamen het vaakst uit Spanje.

Waar wij deze druif proefden

Wijnen die wij proefden